Preken




Hieronder kunt u de meest recente preken nalezen die Vader Paul Brenninkmeijer voor onze gemeenschap hield.

Preek op de 26e zondag na Pinksteren (18 nov. 2018)

Jezus leert ons vandaag dat we rijk moeten zijn bij God. Je kunt nog zo veel geld hebben en schatten vergaard hebben dat je niet weet waar je het allemaal moet opbergen, zoals die rijke man in het evangelie. Als het er op aan komt is het allemaal waardeloos, als je voor God met lege handen staat.
Nu is de parabel van het evangelie vaak zó uitgelegd, dat wij het al het aardse zouden moeten minachten. Dat we pas rijk zijn voor God als we enkel het hemelse zoeken. Heiligen die de wereld ontvluchtten werden ten voorbeeld gesteld. In het Romeinse missaal is er een gebed dat luidt: leer ons het aardse te verachten om zo het hemelse lief te hebben.
Er is een traditie van strenge ascese in de geschiedenis van het christendom. Daar zijn we hier in onze streken wel van losgeraakt. We hebben als christenen de waarde van het aardse leren waarderen.
Maar tegelijk is er iets gebeurd waardoor we los zijn geraakt van een levende gemeenschap. We zijn individualisten geworden. En zo staan we voor God met lege handen als alles wat we hebben, als heel ons bezit enkel van en voor onszelf is.

Dit individualisme is een grote bedreiging voor het geloof. Omdat er zo geen levende band meer is met de schepping, de schepping van God zelf, en met de mensen om ons heen. In feite kun je dan ook geen echt blij mens meer zijn. Ik las een interview met een vermaarde hedendaagse theoloog Miroslav Wolf. Hij is geboren in Kroatië, studeerde in Duitsland en woont nu in de VS. Hij zegt: ‘In onze maatschappij zijn we vergeten blij te zijn’. Hij zegt dat wij hier in het westen geen gezamenlijk gedeeld idee van het goede meer hebben. Het goede is een privézaak geworden. En dan ben ik steeds bezig om mijn privé behoeften te vervullen: dat kan door het hebben van geld, maar ook door kennis te verzamelen met de ene cursus na de andere, de ene verre en interessante reis na de andere te maken, het lezen van het ene boek na het andere, het kan ook doordat je voor jezelf een goed reputatie opbouwt, of allemaal mooie spullen om je heen verzamelt. Maar dan heb je in feite nooit genoeg, net als die man in het evangelie die steeds nieuwe schuren bouwt.
Nee, we hoeven geen asceten te worden. We moeten de schepping en de gaven van God opnieuw leren ontdekken, als iets dat aan ons mensen gezamenlijk gegeven is.

De heilige Efrem de Syrier heeft gezegd: Zie hoe welwillend God is. Al kon Hij zonder moeite in volle schoonheid scheppen. Hij wilde dat wij ervoor zouden kiezen onszélf mooi te maken en onze schoonheid te schilderen met de kleuren die wijzelf zouden kiezen. God wil dat wij mensen er samen iets heel moois van maken, ook hier en nu in deze wereld. We hoeven de wereld niet te ontvluchten. Het gaat voor alles om liefde. Leven met liefde voor de schepping om je heen, blij kunnen zijn met de kleine dingen van deze schepping. In alle eenvoud je huis inrichten en er iets moois van maken, dat open en gastvrij is voor andere mensen die zich er ook thuis mogen voelen. Omdat je tegelijk vertrouwen in andere mensen uitstraalt.
Er zijn gelukkig ook veel heiligen geweest die vreugde vonden in de dingen van de schepping om hen heen, zoals de heilige Franciscus van Assisi, ook al leefde hijzelf in grote armoede, hij was rijk met alles wat hij om zich heen in de schepping vond, daar in de mooie natuur rond Assisi. Hij was rijk met de broederschap die hij stichtte, en waaraan ook vrouwen zoals Clara in deelden. Ik zie deze levenskunst ook terug in veel kloosters in orthodoxe landen: de gastvrije monniken of zusters onderhouden kleurige bloementuintjes bij hun cellen, zij verzorgen bijen, en schilderen iconen. De heilige Efrem gaf het voorbeeld van de schilder, we mogen het leven versieren met de kleuren die wijzelf kiezen.

Dat beleven ook de icoonschilders onder ons. In de iconen vinden zij een grote rijkdom. Er is een voorbeeld aan je gegeven, maar je mag er zelf iets nieuws van maken. De iconen verbinden je met de grotere gemeenschap van de kerk, de gemeenschap van de heiligen, tot over de grens van de dood heen. Laten we vandaag blij zijn met de nieuwe gewijde iconen. En met de rijkdom van ons geloof, dat we samen delen.

Preek op de 22e zondag na Pinksteren (21 okt. 2018)

U kent het gezelschapsspel stoelendans wel. Een groep mensen loopt rond een aantal stoelen, en op een teken moeten zij gaan zitten. Omdat er dan steeds een stoel te weinig is moet er dan iemand aan de kant staan, die mag niet meer meedoen. Bij een communicatie-training maakte ik het mee dat we de stoelendans ànders moesten doen. Niemand mocht aan de kant komen te staan, als er stoelen te weinig waren was er altijd nog wel een zitplaats op de knieën  van de deelnemers. Wij bleven één groep. Niemand werd buitengesloten. Bij de grote stoelendans van het leven vallen er steeds mensen buiten de boot die niet meer mee mogen doen.
Zo iemand is de arme Lazarus. Hij ligt bij de rijke op de stoep uitgerangeerd. De rijke blijft er bij horen. Hij kan elke dag feest vieren met andere succesvolle mensen. Als hij dood is krijgt hij een chique, eervolle begrafenis. Maar de wereld kan niet geregeerd worden door het recht van de sterkste. Het gaat om het recht van de zwakkeren, de minderen. Dit is de betekenis van ons christelijk geloof.

God is mens geworden in Jezus. Bij zijn geboorte ligt Hij in armoede, in een grot die als beestenstal wordt gebruikt, en met arme berooide herders als eregasten. Die ruiken niet fris, ze spreken niet met een gepolijste taal. God is liefde en God wordt zichtbaar overal waar mensen echte zorg hebben voor armen en noodlijdenden. Hoe beslissend dit is, maakt Jezus hier duidelijk. Aan het einde van het evangelie gaapt er een onoverbrugbare kloof tussen Lazarus in de hemel en de rijke in de hel. Wat wij doen en laten heeft gevolgen voor de eeuwigheid. Hoe wij de armen in de wereld behandelen, hoe wij ons gedragen tegenover mensen die uitgerangeerd zijn.
Wil onze samenleving menselijk blijven moeten wij het leven zien als een groot mysterie dat een grote eerbied vraagt. Zoals een Indiaanse hoofdman het heeft gezegd: wij mensen hebben het web van het leven niet zelf geweven. Wij mogen ons er eerbiedig invoegen en we mogen het niet kapot maken. Maar wie het leven ziet als een ratrace om de beste plaats te bemachtigen, ten koste van anderen, is een arme stakker die totaal vervreemd is van waar het eigenlijk om gaat.

Voor Jezus heeft de arme Lazarus een naam. Omdat hij een naam heeft, heeft hij betekenis. De rijke heeft geen naam. Hij is voor de geschiedenis eigenlijk van geen betekenis. Het evangelie vraagt dan ook van ons dat wij zelf leven in een geest van armoede. Wat dat betekent is voor iedereen verschillend. De een heeft nu eenmaal meer inkomen dan de ander. Maar de geest van armoede betekent dat wij onze rijkdom niet enkel voor onszelf houden maar durven delen met mensen die het minder hebben. Het gaat om een geest van onthechting. Dat we niet met alle nieuwste mode-dingen hoeven mee te doen. Het gaat om het vinden van een innerlijke rijkdom. Het gaat om innerlijke vrijheid. Het gaat ook om innerlijke stilte. Je geluk hangt niet af van het hebben van allerlei spullen. Het betekent ook afzien van persoonlijk winstbejag. Als je gezond bent kun je je inzetten voor anderen, die die lichamelijke gezondheid missen. Ook de talenten die je hebt gekregen zijn gaven van God. Je hebt ze niet gekregen voor jezelf alleen.

In de 5e eeuw zag Johannes Chrysostomus bisschop van Constantinopel veel armen, veel mensen zonder huis noch dak, ja veel vluchtelingen. Hij zei: “In plaats van u te ergeren over al deze vluchtelingen in de stad, zoudt gij trots  moeten zijn dat ze onze stad hebben gekozen als plaats van redding en hulp”. En elders, zegt hij: “Abraham, voorbeeld van gastvrijheid, heeft zonder het te weten de Allerhoogste ontvangen, wij daarentegen weten dat de vreemde, de hongerige die voor onze deur staat, Christus is, die om hulp vraagt. Hem kunnen wij in ons huis opnemen”. Bij die alternatieve stoelendans waar iedereen zijn plekje vond ook op andermans knieën, was er echte verbondenheid. We beleefden er een bijzonder plezier aan. Onze wereld wint enorm veel aan geluk als wij mensen dit ook in het echt waarmaken. Een beetje bij elkaar inschikken om iedereen de ruimte te geven. Zodat  zo min mogelijk iemand uit de boot valt.

Preek op de Zondag na Kruisverheffing (16 sept. 2018)

Vrijdag was het feest van Kruisverheffing. Op 13 september 335 is na de vondst van het kruis in Jeruzalem de Heilig Grafkerk ingewijd. Sindsdien wordt 14 sept. plechtig het kruis vereerd. Ook straks doen we dat hier ook. Het kruis is een mysterie. Hoe kan een martelwerktuig, een schandpaal, een teken van heil worden? We beseffen nauwelijks meer hoe aanstootgevend de verering van een kruis door de eerste christenen voor de heidense omgeving geweest moet zijn. “Die zijn gek” dachten ze. Wie vereert er nu een misdadiger? Want iemand die tot de kruisdood veroordeeld was, dat moet toch wel een crimineel zijn! De lezingen van deze zondag passen helemaal bij het feest van Kruisverheffing. In het evangelie zegt Jezus dat je jezelf moet verloochenen en je kruis op je moet nemen.

Als katholieke kerkgemeenschap moeten wij het kruis dragen dat het seksueel misbruik met zich meebrengt. De Nederlandse bisschoppen spreken in een recente brief over de pijn en de schaamte die zij en ook wij als gelovigen voelen over dit misbruik. De pijn van de ellende die slachtoffers is aangedaan. De bisschoppen erkennen dat bisschoppen dit leed hebben verergerd door hun falen in de aanpak ervan en dat er  ook enkele  bisschoppen in de fout gingen. Terwijl de kerk juist een veilige haven zou moeten zijn. Zij spreken verder over de genoegdoening en opvang van de slachtoffers in ons eigen land. De schaamte hierover is voor alle katholieken een kruis, want je staat te kijk, in de media en in contacten met andersdenkenden.
Soms moeten wij mensen allemaal ons menselijk tekort pijnlijk voelen, niet alleen als kerk, maar ook ieder van ons afzonderlijk. Wij zijn als christenen allemaal geroepen om in ons leven de weg naar God te gaan. En dit kan niet anders dan een weg van liefde zijn. Maar we stoten daarbij allemaal op de barrière van ons eigen tekort en onvermogen. Je denkt je zelf aardig te kunnen beheersen, maar ineens ontplof je van woede, of je gaat jezelf te buiten in genotzucht of je verliest je in onbenulligheden. Relaties met andere mensen van wie je hebt gehouden kunnen verbroken raken. Allemaal dingen waarover we ons schamen. Dit is ons kruis dat we dagelijks moeten dragen. Maar het kan heilzaam zijn als we dit eerlijk erkennen zodat we er nederiger door worden, zodat we tegenover God staan met een vermorzeld hart, zoals dat heet.

In het epistel zegt Sint Paulus dat het onderhouden van werken van de wet ons nog geen voordeel geeft. Paulus was als Farizeeër opgeleid en had geleerd dat je in de naleving van de wet perfect moet zijn. Toen hij Christus ontdekte was dat een bevrijding voor hem. Christus heeft immers onze menselijke zwakheden gedragen door zelf het kruis op zich te nemen. Wij leven voor God dankzij genade en vergeving die dit kruis voor alle mensen betekent. In onze moderne tijd heeft godsdienst weinig betekenis meer. Maar net als bij de Farizeïsche leer van vroeger heerst er een zelfde soort moraal: je moet veel presteren om in de ogen van de wereld mee te tellen. Het gaat dan om succes hebben, om de winsten die we moeten maken, alles waarmee we de aandacht op onszelf vestigen om waardering te krijgen. Het is een keiharde wereld, waar het recht van de sterkste heerst. En voortdurend wordt met de vinger gewezen naar anderen die gefaald hebben. Het is eigenlijk de oude wereld. En het kruis van Jezus betekent dat er een nieuwe wereld komt, waar ook mislukkelingen recht van leven hebben, ja, waar de laatste de eersten zijn.

Heel het leven van Jezus was erop gericht om mensen de liefde van God te laten ervaren. Jezus zocht mensen op die als mislukkelingen en zondaren waren uitgestoten om hun te laten voelen dat God hen niet afschreef. En tegen mensen die zichzelf voortreffelijk achtten zei Hij: wie van jullie zonder zonde is werpe de eerste steen. Zijn kruisdood was niet het einde.  De verrezen Christus gaat met dit alles door. Hij leeft daar waar de slachtoffers recht wordt gedaan, waar mensen elkaar vergeven, waar wij ophouden met de vinger naar anderen te wijzen en te veroordelen, en waar wij als kerk elkaar met onze zwakheden durven dragen.

Preek op de 13e zondag na Pinksteren (19 augustus 2018)

De parabel van het evangelie vertelt over de kruisdood van Jezus, de moord op de Zoon van God. De filosoof Nietzsche heeft deze parabel  een nieuwe betekenis gegeven.  Hij plaatst dit verhaal in de moderne tijd. Hij zei: ‘God is dood is en wij moderne mensen hebben dat zelf gedaan’. Inderdaad: in onze West-Europese samenleving is geloof in God niet meer vanzelfsprekend. Er zijn nogal wat atheïsten die vinden dat de wetenschap overal een verklaring voor heeft. En zij menen ook dat een mens zelf moet bepalen wat goed en kwaad is. Zij maken God overbodig. Maar er zijn ook mensen die zeggen in God te geloven maar die van God een politieagent maken, of een straffende God Zij hebben het zicht op de liefhebbende Vader verduisterd. En priesters, Godsmannen, die seksueel misbruik pleegden hebben Christus opnieuw gekruisigd. Vervolgens zijn er veel mensen die zeggen: ‘ik kan niet in God geloven’, en onder hen zijn er veel die christelijke waarden met gelovigen delen.  En dan zijn er ook moderne gelovigen. Als die ziek zijn gaan ze ook naar de dokter maar zij steken dan wel een kaarsje op, en achter de evolutie vermoeden zij Gods macht. Maar toch kan een gelovige zich in deze tijd een vreemdeling voelen, als hem zondags op weg naar de kerk alsmaar joggers en wielrenners passeren.

Eigenlijk is geloven in God vandaag de dag zoiets als koorddansen. Voor een koorddanser is er een strakke draad gespannen waar hij zijn voeten voorzichtig op neerzet, maar hij heeft ook een lange dunne stok in zijn handen die hij dwars over die draad houdt en die zorgt dat hij zijn evenwicht behoudt. Geloven is als koorddansen. Je zet je voeten niet langer op de gewone vaste grond, waar de meeste mensen op lopen, de grond van het atheïsme of de onverschilligheid t.o.v. God,  met vertrouwen in de wetenschap en de idee van zelfbeschikking. Maar als gelovige waag je het op een strak gespannen koord. Dat koord is de lijn die God voor jou heeft uitgespannen, omdat God jouw schepper is, en Hij houdt die lijn altijd vast, of je je daarvan bewust bent of niet. Jouw bestaan hangt immers helemaal van God af. Hij geeft je elk moment het leven. Geloven is het wagen, voetje voor voetje op die lijn te lopen. Maar dat kun je pas als je ook die evenwichtsstok vasthoudt. Die evenwichtsstok dat is de gelovige traditie waar je in leeft samen met andere gelovigen. Die traditie is onmisbaar bij het geloof, die reikt je de Bijbel aan, mooie gebeden en gezangen, iconen die van het geloof iets concreets maken. De traditie heeft riten en symbolen die het mysterie van het leven openbaren. Maar de Bijbel kan ook je rust verstoren, vragen oproepen en dat heeft een mens ook nodig. Zonder traditie lukt het koorddansen van het geloven niet. Alleen: de voetstap op het koord neerzetten moet je zelf doen. Of liever: een geheimzinnige kracht drijft jou aan om die stap te zetten.

Jezus heeft gezegd: niemand komt tot Mij als de Vader hem niet trekt. We hebben Gods Heilige Geest ontvangen. Maar er blijven momenten dat je als koorddanser aarzelt, ja huivert, dat je liever met je beide benen op de begane grond zou willen blijven, omdat je bang bent voor de gapende afgrond. Zoals Petrus angstig werd toen hij het waagde om over het water naar Jezus toe te lopen. Het helpt pas als je de stem van Jezus hoort: Ik ben er, wees niet bang, je kunt op Mij vertrouwen. Jezus is de steen die de bouwers hebben weggegooid, maar die toch de hoeksteen geworden is. Door Hem is er een gemeenschap mogelijk waar liefde en vergeving de bouwstenen van zijn. Een gelovige is een koorddanser, niet op eigen kracht, maar met Gods kracht die je telkens als je dreigt te bezwijken opricht. Zoals God Jezus heeft opgewekt uit de dood toen hij gekruisigd was. Voor een gelovige is deze kracht die opwekt, bezielt en aantrekt zijn vreugde en zijn trots. Hij ziet vooral de overkant waar de draad naar toe gespannen is. Zoals het in psalm 73 staat: Gij leidt mij door uw wijsheid, en neemt mij eens in uw heerlijkheid op. Dan ben je thuis gekomen bij God. Maar tegelijk zijn er ook veel mensen die niet in God te geloven, maar die zoveel liefde en respectvolle zorg tonen dat ze in feite ook heel dicht bij God zijn. En ook zij zullen op hun manier ooit bij God thuis komen. Gods Geest waait waar hij wil.